10-03-2010

Het Duitse constitutioneel hof, dat de mooie naam Bundesverfassungsgericht draagt, heeft op 2 maart jongstleden de privacy van de Duitse burgers een belangrijke dienst bewezen. Op die dag schorste het namelijk de Duitse wet die bedoeld was om de Europese bewaarplicht te implementeren.
De bewaarplicht (afkomstig uit dataretentierichtlijn 2006/24/EG) , waardoor internet- en telefonieaanbieders in heel Europa verplicht worden om gegevens te bewaren over de communicatie door hun klanten, wordt al sinds de adoptie daarvan door vele rechtsgeleerden gehekeld, omdat het nut van dergelijke dataretentie nooit goed is onderbouwd en bij lange na niet opweegt tegen de nadelen.
Hoe dit Duitse vonnis voor de situatie in Nederland uit zal pakken, is nog te bezien. In de eerste plaats is het jammer dat de richtlijn zelf in de Duitse zaak buiten schot bleef, want als die kon worden vernietigd, was het ook in Nederland afgelopen geweest met de bewaarplicht. Maar de Duitse rechter toetste alleen de Duitse wet aan de Duitse grondwet en liet de mogelijkheid liggen om het Europees Hof van Justitie uitspraak te laten doen over de ‘grondrechtigheid’ van de richtlijn.
Het ‘Urteil’ van 2 maart zal echter ook op EU-schaal niet zonder betekenis blijven. Eurocommissaris Viviane Reding (Justitie) heeft al aangekondigd het nut en de gevaren van de bewaarplicht grondig tegen het licht te zullen houden en in dat onderzoek zullen de overwegingen van het gezaghebbende Bundesverfassungsgericht zeker (moeten) worden meegenomen. Datzelfde geldt overigens voor die van de Roemeense rechter van 8 oktober 2009, waarin de Roemeense bewaarplicht werd vernietigd.
Mocht de Commissie echter tot aanpassingen – of beter nog: schrapping – komen, dan zullen de regeringen van de lidstaten daarmee akkoord moeten gaan en de vraag is of enkele regeringen die voorstander zijn van de bewaarplicht en deze reeds hebben ingevoerd, zoals Frankrijk en Engeland, geneigd zullen zijn dat te doen.
Een neveneffect van het Duitse vonnis is daarbij wel dat de discussie scherp gevoerd zal moeten worden. Enkele van de eisen die aan de Duitse wet zijn gesteld (decentrale opslag, sterke beveiliging gelogde toegang, alleen bij in de wet zelf opgesomde misdrijven, geen datamining) zijn streng en betekenen hogere kosten voor de providers. Zeker in deze economisch moeilijke tijd zal het nut dat een dergelijke dure bewaarplicht rechtvaardigt, overtuigend moeten worden aangetoond. Het is zeer te hopen dat men zich zal realiseren dat er veel betere dingen zijn om in te investeren dan in privacyschending van de burger en dat na september de bewaarplicht in heel Europa eindelijk en definitief ten grave gedragen kan worden.
01-03-2010

Telecomwaakhond OPTA heeft haar interpretatie van het spamverbod aangepast: van persberichten wordt niet langer gezegd dat ze waarschijnlijk spam zijn. De FAQ spreekt nu van “in beginsel geen spam”, tenzij er een overduidelijk puur commercieel motief achter zit. Reclame vermommen als persbericht (”Brekend: vloermop nu slechts 19,95″) is nog steeds verboden, maar nieuws over uw bedrijf mag als persbericht naar journalisten.
Spam en het spamverbod zijn altijd goed voor veel discussie. Met name de aanpassing vorig jaar oktober van het spamverbod zorgde voor veel onduidelijkheden.Formeel werd het spamverbod alleen uitgebreid naar zakelijke ontvangers, maar hierdoor ontstonden veel nieuwe vragen.
Persberichten zijn ongevraagd en indirect vaak commercieel of ideëel zodat ze onder de letter van het spamverbod zouden vallen. Weinig journalisten hebben er echter bezwaar tegen om persberichten te ontvangen. Toch voelden veel bureaus zich gedwongen hun strategie aan te passen om ieder risico uit te sluiten dat men de Telecommunicatiewet zou overtreden.
Mede dankzij Bird & Bird-advocaat Gerrit-Jan Zwenne heeft de OPTA haar uitleg op dit punt nu aangescherpt. Een goede zaak.
In onze Factsheet Spamverbod kunt u alle regels en hun gevolgen in de praktijk nog eens nalezen.
23-02-2010

Het is helaas onvermijdelijk dat af en toe een klant failliet zal gaan, onder surséance komt of anderszins in grote betalingsproblemen komt. Voor u als hoster is er dan meestal weinig meer te halen. Uw vorderingen op grond van het hostingcontract komen namelijk pas aan de beurt nadat de Belastingdienst en de bank zijn geweest, en meestal is er dan nog maar bar weinig over. Mocht u nu denken “ik heb hier toch een dedicated server of zelfs heel rack van die klant staan, dan verkoop ik dat gewoon”, dan kunt u nog wel eens van een koude kermis thuiskomen. De Belastingdienst kan namelijk in zo’n geval úw spullen meenemen.
De Belastingdienst heeft op grond van de Invorderingswet de mogelijkheid om “bodembeslag” te leggen bij belastingschulden. Dit is een bijzondere vorm van in beslag nemen, waarbij de belastinginspecteur alle zaken mag meenemen die zich op de ‘bodem’ van een persoon of bedrijf met belastingschuld bevinden. En ja, dat kunnen ook zaken zijn die van een ander zijn. Natuurlijk is het niet de bedoeling dat men zaken in beslag neemt en verkoopt die niet van de echte schuldenaar zijn. Maar de wet werkt hier niet zoals misschien logisch lijkt: de inspecteur hoeft niet ter plekke uit te zoeken wat van de schuldenaar is, maar u moet bezwaar maken na een inbeslagname en pas dan krijgt deze zaken terug.
De term “bodembeslag” geeft al aan waar de grenzen liggen: het moet een ‘bodem’ zijn, een stuk grondoppervlak dus, waar zich roerende zaken (zoals servers, opslagmedia of software) op bevinden en waar de betrokken persoon “onafhankelijk van anderen de beschikking over heeft en recht heeft met uitsluiting van ieder ander”. Hieronder valt bijvoorbeeld de vloer van een gehuurd bedrijfspand, zodat de Belastingdienst de volledige inboedel van zo’n pand in beslag mag nemen. Dat “met uitsluiting van ieder ander” is trouwens minder streng dan het lijkt: ook een gezamenlijke gebruikte bodem valt eronder. Huurt iemand een kamer, dan valt de gezamenlijke keuken onder de ‘bodem’ en kan de magnetron worden meegenomen. Maar bij huur van een kluisje krijgt de huurder geen beschikking over een stuk grond, zodat bodembeslag hier niet mogelijk is.
In het geval van datacenters zal het er vanaf hangen wat er precies voor dienst wordt verleend. Een shared hostingaccount of dedicated server is geen bodem, want daarbij krijgt de klant alleen beschikking over een stukje opslag- en verwerkingscapaciteit op een systeem van de hoster. Zo’n server kan dus niet door de Belastingdienst worden meegenomen.
Bij een co-located server kan dat anders liggen. Daarbij mag de klant zijn eigen computerapparatuur stallen op een door de hoster aangewezen plek in het datacenter. Als duidelijk is afgesproken dat de server in een rack van de hoster komt te hangen, wordt geen ‘bodem’ gehuurd en is bodembeslag onmogelijk. Maar die duidelijkheid is helaas niet altijd terug te vinden in de hostingovereenkomst. Een contract dat bijvoorbeeld zegt dat de klant zijn eigen rack mag plaatsen en daarbij toegang krijgt tot het hele datacenter, kan worden gezien als bewijs dat hij in feite de ‘bodem van het datacenter’ huurde.
Bij verhuur van floorspace is het dus essentieel dat duidelijke grenzen worden vastgelegd, om te voorkomen dat de Belastingdienst het gehele datacenter als ‘bodem’ aanmerkt. En die grenzen zijn geen kwestie van alleen wat kleine lettertjes, ook de dagelijkse praktijk speelt een belangrijke rol bij het vaststellen of en welke ‘bodem’ precies van de betrokken klant is. Zo spelen deuren, hekken of andere afscherming een belangrijke rol, en zou een op de grond getekend vierkant met klantnummer wel eens de doorslag kunnen geven.
En ja, dit werkt ook omgekeerd: als het bedrijf bij wie u uw servers heeft gestald failliet gaat of een grote belastingschuld heeft, dan neemt de Belastingdienst ook uw servers mee. U zult dan bezwaar moeten maken en aantonen dat de servers van u zijn. Lukt dat niet, dan worden uw servers verkocht vanwege de belastingschuld van uw hoster. Hopelijk heeft u dus de bonnetjes nog.
Dit artikel kwam mede tot stand dankzij een waardevolle bijdrage van mevr. mr P.J. Antons, advocaat bij Dorhout advocaten in Groningen.
18-02-2010
Een bijdrage van de blog van ICTRecht-partner Arnoud Engelfriet.


Gisteren was ik bij een door De Perslijst georganiseerde discussie tussen de OPTA, journalistiek en advocatuur over het zakelijke spamverbod en wat dat betekent voor de pers. Met vertegenwoordigers van de OPTA, Logeion (de beroepsvereniging voor communicatie), de hoofdredacteur van journalistenvakblad Villamedia en telecomadvocaat Gerrit-Jan Zwenne beloofde dat wat.
Vorig jaar oktober is het spamverbod uitgebreid: [...]
Lees verder
12-02-2010
Er is een toenemende vraag naar het afdekken van risico’s in ICT-contracten. Vooral met betrekking tot cloud computing, privacy en IT-aanbestedingen.
Wilt u inzicht krijgen in de risico’s van uw IT-projecten en deze contracteren? Heeft u genoeg inzicht in de contracten van uw software? En kunt u succesvol contracten maken met alle regelgeving rondom cloud computing, privacy en IT-aanbestedingen?
Op de tweedaagse conferentie & masterclass ICT & Recht van IIR wordt u over deze en andere relevante punten bijgepraat. ICTRecht-partner Arnoud Engelfriet spreekt over open source software in de cloud.
Schrijf u nu in!
09-02-2010

Advertenties, ook wel banners genoemd, vormen een belangrijke inkomstenbron op het internet. Websites plaatsen een advertentie tegen betaling, bijvoorbeeld een bedrag per keer dat de advertentie wordt getoond aan bezoekers, een vergoeding voor elke keer dat een bezoeker op een advertentie klikt of een vast bedrag voor een vooraf vastgestelde periode. Niet alle adverteerders of website-eigenaaren staan er echter bij stil dat er wettelijke regels zijn vastgesteld voor advertenties. Schending hiervan kan tot hoge boetes of schadeclaims leiden.
Een belangrijk vereiste is dat de advertentie duidelijk herkenbaar is als advertentie. Voor banners gaat dit vaak goed, maar bij advertorials en gesponsorde inhoud (bv. spelletjes) lang niet altijd. Een advertorial waarbij niet duidelijk wordt aangegeven dat er een commerciële boodschap in het artikel verwerkt zit voldoet niet aan dit vereiste.
Daarnaast is het essentieel dat uit de advertentie de identiteit van de adverteerder herkenbaar is. De bezoeker moet kunnen achterhalen wie de advertentie geplaatst heeft en hoe die adverteerder bereikt kan worden. Hieraan kan op meerdere manieren worden voldaan. Zo kan bij of in de advertentie een duidelijk herkenbare verwijzing naar de website van de adverteerder worden geplaatst, bijvoorbeeld met een aanklikbaar icoon of logo. Op die website moet dan weer aan de informatieverplichtingen worden voldaan die gelden voor dienstverleners die op het internet actief zijn (3:15d BW).
Het is echter niet verplicht om de naam van de adverteerder expliciet in de advertentie op te nemen. Dit blijkt uit de parlementaire behandeling van dit wetsartikel. Het is voldoende als er duidelijk en herkenbaar wordt verwezen naar een website waarop blijkt wie de adverterende partij is. De advertentie zelf heeft dan dus geen icoon, logo of naam van de adverteerder nodig.
Aan het vereiste van een duidelijke en herkenbare verwijzing zou dus voldaan kunnen worden door de advertentie met een link direct te laten verwijzen naar de website van de adverteerder. Het plaatsen van de muis op de banner toont dan bovendien direct in de statusbalk van de internetbrowser het adres van de website van de adverteerder. Hiermee lijkt op duidelijke en herkenbare wijze de identiteit van de adverteerder opgenomen te zijn in de advertentie en is dus verder geen vermelding van de identiteit van de adverteerder noodzakelijk.
Indien niet aan deze eisen is voldaan, is sprake van een oneerlijke handelspraktijk. Uw concurrenten kunnen u op die grond een proces aandoen. Ook kan de Consumentenautoriteit een boete opleggen als zij deze constateren.
09-02-2010
Een bijdrage van de blog van ICTRecht-partner Arnoud Engelfriet.

Het is één van de meest gestelde vragen die ik krijg: mag mijn baas snuffelen in mijn mailbox? Hoofdregel is dat dat niet zomaar mag, tenzij er een zeer zwaarwegende reden is om het wel te doen. En zo’n reden leek er te zijn in de zaak uit dit arrest van de Centrale Raad van [...]
Lees verder
05-02-2010


Oneerlijke handelspraktijken online: een belangrijk punt waarop de Consumentenautoriteit zich de komende twee jaar zal gaan richten. Bijzondere aandacht krijgen online reclame voor sms-diensten en doorverkoop van toegangsbewijzen en concertkaarten. Verder zullen online datingsdiensten en bedrijven die reclame maken via sociale netwerksites onder de loep worden genomen. Ook alle andere online ondernemers die zich op consumenten richten moeten zich uiteraard aan de regels over oneerlijke handelspraktijken houden.
Als ondernemingen zich niet aan de regels over oneerlijke handelspraktijken houden kan de CA (of in geval van financiële diensten de Autoriteit Financiële Markten) een administratieve boete van maximaal € 450.000 euro of een last onder dwangsom opleggen. Dit gebeurt ook werkelijk: in 2009 werden aanbieders van SMS-diensten beboet met tonnen aan boetes.
Van een oneerlijke handelspraktijk is sprake indien u de consument op zo een manier benadert, dat hij op oneerlijke wijze wordt of kan worden beïnvloed in zijn afweging om wel of geen overeenkomst met u aan te gaan. U kunt daarbij bijvoorbeeld denken aan het niet of onvoldoende duidelijk vermelden van bijkomende kosten in de prijs, het weglaten van belangrijke informatie over het product en agressieve werving van nieuwe klanten.
In de wet staan, naast de algemene regels over oneerlijke handelspraktijken, ook twee zwarte lijsten. Op deze lijsten zijn misleidende en agressieve handelspraktijken opgenomen die in alle gevallen als oneerlijk worden aangemerkt. Voorbeelden daarvan zijn:
- beweren dat u gebonden bent aan een gedragscode en daarnaar te handelen indien dit niet het geval is;
- een keurmerk voeren terwijl u daarbij niet bent aangesloten;
- het vermelden dat een product gratis is terwijl dit niet het geval is;
- wettelijke rechten van de consument voorstellen als een onderscheidend kenmerk van uw aanbod; en
- beweren dat een product slechts gedurende zeer korte tijd beschikbaar is of zeer korte tijd tegen een bepaalde prijs beschikbaar is om zo de consument snel te laten beslissen zonder dat hij daar over kan nadenken, terwijl dit niet waar is.
Het is niet nodig dat u als online aanbieder bewust de consument misleidt, ook als u per abuis onvoldoende informatie plaatst op de website en de consument daardoor wordt misleidt kan er sprake zijn van een oneerlijke handelspraktijk. Het is daarom van belang om goed in de gaten te houden of de informatie die op uw website te vinden is of die u vermeldt in online reclame voldoende duidelijk is en de consument niet kan misleiden. ICTRecht kan uw website hierop controleren.
29-01-2010
Ook dit jaar was ICTRecht weer aanwezig op de Webwinkel Vakdagen, die op 20 en 21 januari werden gehouden in de Jaarbeurs Utrecht. Niet alleen voor de organisatie, maar ook voor ICTRecht was deze 4e editie van de Webwinkel Vakdagen een groot succes. Een recordaantal bezoekers (ruim 7000!) waren dit jaar afgereisd naar Utrecht, wat ook duidelijk op de stand van ICTRecht te merken was. Dat ICTRecht bovendien het enige juridisch adviesbureau was dat aanwezig was op de beurs, maakte dat wij op een groot aantal juridische vragen en veel belangstelling konden rekenen.
Niet alleen kwamen veel (startende) webwinkeliers met juridische vragen bij ons langs op de stand, ook vonden veel bestaande relaties het leuk om eens alle gezichten achter ICTRecht te kunnen zien. Zelfs andere standhouders kwamen nog even langs voor een juridische vraag.
‘Hot items’ waren met name de algemene voorwaarden en overige verplichtingen van webwinkeliers. Ook werden er veel vragen gesteld over domeinnamen en domeinnaamgeschillen. Daarnaast kwamen er veel ondernemers langs met ideeën voor nieuwe projecten die ook daar graag de juridische kant goed voor geregeld willen hebben.
Tijdens deze dagen hebben wij het nieuwste project van ICTRecht aan het publiek geïntroduceerd: het Online Mediation platform. Via dit platform kunnen webwinkeliers bij klachten van consumenten eerst gezamenlijk tot een goede oplossing proberen te komen. Mocht dit niet lukken, dan heeft de webwinkelier de mogelijkheid een juridisch adviseur in te roepen, die helpt bij het oplossen van het geschil. Op deze manier kan zonder de relatie tussen webwinkelier en consument te verstoren, ook in de voor de webwinkelier meer complexe gevallen een oplossing gevonden worden.
Wij zijn erg enthousiast over het Online-Mediation platform en op de beurs waren de reacties van de bezoekers ook zeer positief. We hopen dat het een groot succes wordt.
Al met al waren ook dit jaar de Webwinkel Vakdagen voor ons weer meer dan de moeite waard en zeggen wij alvast: tot volgend jaar!
Sara Biersteker en Veerle van Druenen
Hieronder nog een sfeerimpressie van de beurs!


28-01-2010
Een bijdrage van de blog van ICTRecht-partner Arnoud Engelfriet.

Kun je op een afgesloten Hyvespagina smaad plegen, oftewel “ruchtbaarheid geven aan een bepaald feit”? Vorig jaar november bepaalde het Hof Leeuwarden van wel, maar een maandje eerder vond het Hof ’s-Hertogenbosch juist van niet. Dat signaleerden Edward Brüheim en Arno Lodder een tijdje terug.
In beide gevallen ging het om smaad, waarbij het relevante criterium [...]
Lees verder
Vorige berichten